Individualisme geeft kleur aan de samenleving.
Overbodige franje, en opvallende weglatingen waardoor we onszelf, en onze leefomgeving, ‘inkleuren’ op een wijze die ons duidelijk onderscheidt van al het andere. In mijn jongste jeugd, kort na de verwoestende oorlog, draaide, ook in ons land, de ‘confectie-industrie’ nog op volle toeren. De massaproductie maakte degelijke kleding betaalbaar. Het was niet zo ver doorgeslagen als in Communistisch China, waar er maar één uniform tenue in de aanbieding was, het ‘Mao-pak’, maar de keuze was beperkt, voor wie zich nieuwe kleding kon veroorloven.
Op enig moment kwam uit de Verenigde Staten de ‘Spijkerbroek’ in de mode. Een broek voor werkers die iemand in dat enorme land identificeerde als ‘arbeider’ of ‘boer’, maar in Nederland al snel een ‘Must-Have’ statussymbool onder jongeren. En dan wel een ‘Levis’ of ‘Lee’, en geen surrogaat van de ‘Zeeman’ of iets in die geest. Wie naar de ‘clips’ kijkt van de muziekgroepen die de ‘pop’-muziek introduceerden, ziet hen in eerste instantie allemaal keurig ‘in pak’. Maar al snel veranderde dat. Mede onder druk van mensen in de ‘muziekwereld’ die ontdekten dat de muziek eerder minder belangrijk werd, en dat een artiest zich via zijn of haar uiterlijk moest ‘onderscheiden’ om op te vallen in de tsunami aan ‘pop’-muziek die over ons werd uitgestort.
U ziet mij hier ad nauseam hameren op het belang van industriële productie, transport en handel als de basis, terwijl onze hele wereld vergeven is van het individualisme, wat zich daar niet voor leent. In eerste instantie fungeerden de ‘pop’-artiesten, en anderen in de ‘show-biz’, als ‘iconen’ waaraan men zich spiegelde. Zolang de groep met ‘volgers’ maar groot genoeg was, en de productie voldoende flexibel, lukte het nog wel om een behoorlijke omzet te realiseren en winst te maken, ook omdat ‘fans’ bereid waren véél meer te betalen voor de kleding, en het schoeisel, en de haardracht, en de ‘make-up’, dan anderen betaalden voor confectie. Althans, de ouders van die ‘fans’.
Tegen de tijd dat ik zelf ‘kleedgeld’ kreeg, bedoeld om ‘tieners’ de waarde van geld bij te brengen, was er in de ‘liberale’ maatschappij niet langer een norm op scholen en op straat. Althans, in dat deel van het land waarin ik opgroeide. Het leidde tot een ‘vrolijk’ straatbeeld, terwijl de ‘confectie-industrie’ de laatste adem uitblies. Er ontstond een interessante tweedeling, waarbij de ene helft op jacht ging naar zo goedkoop mogelijke kleding, om over te houden van dat kleedgeld voor ‘leuke dingen’, en in die groep bevond ik mij. Anderen namen ‘bijbaantjes’ om te sparen voor kleding die hun idolen ook droegen. Daarbij gold voor die laatste groep: ‘Wat je van ver haalt, is lekker!’ Ik had geen ‘Afghaanse jas’, maar een door mijn moeder, op basis van mijn instructies, genaaide ‘Dracula-cape’ waarvoor ik, op haar instructies, de stof had gekocht, en een van mijn vader overgenomen ‘duffel’ in de winter. En ik droeg ‘KLM-Werkkleding’ , die ik scoorde bij een winkeltje in het industriegebied, en later eveneens door mijn moeder genaaide kleurrijke ‘flutbroeken’ in de zomer, alsof ik ergens in Florida over het strand liep. Met het geld van mijn bijbaantjes deed ik andere dingen, en tegen de tijd dat ik ‘uitvloog’ had ik net voldoende geld om mijn eerste ‘Lelijke Eend’ met ‘dodemansdeuren’ te kopen, de eerste auto bij ons in het gezin.
De wereld tussen uniformiteit en totale chaos is een kwetsbare wereld. Wat ik hierboven beschrijf heeft betrekking op het modebeeld, maar je kunt het loslaten op elke economische activiteit. Ik had geen geld, of liever, ik had geen geld over, voor nieuwe platenspelers en stereo-installaties waar veel van mijn vrienden mee pronkten. Ik rende niet als een bezetene naar de platenwinkel om het laatste ‘album’ van mijn favoriete groep te ‘scoren’. Sterker nog, ik had feitelijk geen ‘favoriete groep’. Geen idolen. Pas later, toen ik beter in mijn ‘slappe was’ zat verzamelde ik de platen, en later de CD’s, van groepen die mij bekoorden, maar veel liever grasduinde ik door wat ik vond in obscure winkeltjes waar platen stonden van groepen en artiesten waar niemand ooit van had gehoord. En ik heb alles bewaard.
Wat in onze wereld meer en meer doorging voor individualisme, was eigenlijk snobisme. Het verlangen om ‘gezien’ te worden als de ‘fan’ van deze of gene, en daardoor behorend bij een ‘elite’ die wars was van confectie. Wel ‘vee’, maar exclusief ‘vee’. Eigenwijs zijn op een kostbare manier. Er zijn spullen, en activiteiten, die kostbaar zijn, omdat ze kwalitatief ver verheven zijn boven confectie. Boven de ‘pakketvakantie’. Maar kwaliteit *hoeft* niet ‘onbetaalbaar’ te zijn, en dat geldt al helemaal voor ervaringen. Een jas is een jas, en een bank is een bank. De functie van een jas is dat hij je warm en/of droog houdt, en de functie van een bank is dat je er comfortabel op zit. Wat in onze maatschappij sluipenderwijs is ‘toegevoegd’, is de ‘signaalfunctie’ van de jas en de bank, en al het andere, tot en met onze politieke voorkeur, en dat is een ernstig probleem. Een dodelijke, kostenverhogende opslag die objectief gezien waardeloos is. Weggegooid geld.
Laat mij benadrukken dat ik allerminst streef naar meer uniformiteit, en een terugkeer naar confectie, omdat dat ‘goed genoeg’ is, zolang het maar uw eigen geld is wat u kapotslaat. Laat mij mijn huis maar inrichten in een stijl die ‘Bohemian Chic’ wordt genoemd, terwijl u kapitalen uitgeeft aan ‘Design’. Maar als u de wethouder bent, of de cultuur-minister, en u geeft miljoenen aan gemeenschapsgeld uit aan expressies van Kunst en Exclusiviteit om uw stad of land ‘op de kaart’ te zetten, zonder zicht op rendement, dan is dat een stevige discussie waard. Zeker in deze tijd, en al helemaal als het gaat over een stad die al behangen is met schulden. Beleidsmedewerkers en politici die gemesmeriseerd zijn door ‘Grote Namen’ zijn snobs die zich tegoed doen aan wat u en ik verdienen, terwijl wij onze individualiteit tot uitdrukking brengen door creativiteit en smaak, of tenminste zelf het geld verdienen voor ons eigen snobisme.
In de achter ons liggende decennia, toen we op basis van het gegeven dat we konden ‘lenen’ wat we wilden, omdat er voldoende ‘surpluslanden’ waren die een bestemming zochten voor het geld dat ze aan ons verdienden bereid waren om die ‘schuldpapieren’ te kopen, van de overheden, de bedrijven en particulieren, niet zelden in de vorm van de opkoop van complete banken en andere ‘financiële dienstverleners’ die dergelijke ‘obligaties’ als stofzuigers hadden opgezogen, was ons collectieve ‘kleedgeld’ praktisch ongelimiteerd, en groeiden de bomen tot in de Hemel, waardoor we zelfs niet eens een ‘bijbaantje’ nodig hadden om ons uit te leven, terwijl we naar eigen inzicht de aangekochte spullen konden ‘valueren’ om het GDP naar believen op te krikken, en was er geen wolkje aan de lucht.
Die tijd is voorbij, en de hamvraag is nu hoe we hier uit komen? Mijn voorstel is om de snobs die leven van het ‘kleedgeld’ dat wij hen verstrekken op een streng dieet zetten, terwijl we de individualisten die wegen bewandelen die ervoor zorgen dat zij geld over houden ruim baan geven, omdat ze in deze een voorbeeldfunctie hebben, terwijl we zorgen voor warme, droge kleding via confectie voor eenieder die niet behept is met de mogelijkheid om van de kleding ‘van je oma’, of spullen die je vindt bij de ‘kringloop’, zuinig, waardig en inspirerend te leven.
Helaas zien we hoe de snobs ‘gemene zaak’ maken met de sloebers die aangewezen zijn op confectie in een laatste verwoede poging om de spaarzame medemens te korten op zijn of haar ‘kleedgeld’, omdat ze dat toch niet nodig zouden hebben, zodat de snobs niks hoeven in te leveren, en kunnen smijten met geld, terwijl ze plannen maken om de landen waarbij wij ‘in het krijt staan’ de oorlog te verklaren. Dat er amper een politicus te vinden is die zich profileert als een voorvechter van de spaarzame, creatieve medemens die kleding koopt in de uitverkoop, of op de markt, en al twintig jaar een ‘Klippan’-bank van Ikea heeft, met zo nu en dan een nieuwe hoes en andere kussens, omgeven door Kunst van ‘nietszeggende namen’, en ‘troep’ uit een Brocante, en die rondrijdt in een Aziatische auto die verreweg de beste ‘prijs/kwaliteit’ verhouding biedt, is in zekere zin logisch. Daar, in die sector van de samenleving, is het hebben van idolen, het behoren bij een ‘elite’, je conformeren als ‘fan’, terwijl je je afzet tegen confectie, een selectiecriterium in ons deel van de wereld.